Hoogleraar Fred Paas: ’70:20:10 is geen heilige graal’

Is het 70:20:10 gedachtengoed bruikbaar? Hoe pas je het toe? En wat kan het opleveren? We vroegen het Fred Paas, hoogleraar onderwijspsychologie aan de Erasmus Universiteit.

 

Wat heb je met leren?

“Ik vind het interessant hoe mensen leren en hoe je dat leren kunt verbeteren. Hoe ontwerp je leeromgevingen zó dat je er optimale leerprestaties mee bereikt? Dat onderzoek ik graag en ik deel er met plezier mijn kennis over. Bovendien vind ik het belangrijk dat iedereen de kans krijgt om zo goed mogelijk te leren. Vanuit mijn functie kan ik daaraan bijdragen.”

 

Heb je een interessant nieuw inzicht voor ons?

“Ik maak deel uit van een internationaal onderzoeksteam dat zich richt op de cognitieve belasting theorie. Die geeft inzicht in hoe kennis over de werking van onze hersenen gebruikt kan worden bij het ontwerp van leeromgevingen. De theorie richt zich met name op de interactie tussen het werkgeheugen en het langetermijngeheugen. In lessituaties is vooral de verwerkingscapaciteit van het werkgeheugen belangrijk. Uit onderzoek blijkt dat het werkgeheugen bij het verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden met maximaal vijf tot acht informatie-elementen overweg kan. Deze leereenheden moet je eerst opslaan in het langetermijngeheugen, voordat je weer iets nieuws kunt opnemen.”

 

En dit betekent voor het nieuwe leren…?

“Dat je mensen vooral kennissnacks moet aanbieden en geen hele boekwerken. En dat je dat het best kunt doen op het moment dat ze echt iets moeten leren. Dan is de noodzaak duidelijk, oefenen ze er gelijk mee en blijft het beter hangen. Dat is de cognitieve kant. Je hebt ook een emotionele kant aan leren: mensen moeten natuurlijk wel gemotiveerd zijn. Het is daarom van belang dat je hen een gepersonificeerd leertraject aanbiedt dat geheel is toegespitst op hun individuele leerstijl en -doelen.”

 

Wat is de grootste misvatting over leren?

“Dat talent is aangeboren. Docenten zijn geneigd om kinderen te bestempelen als talentvol en minder talentvol. Maar talent is niet zozeer genetisch bepaald, talent ontwikkelt zich door veel en betekenisvol te oefenen. Neem bijvoorbeeld spraak. Kinderen van hoger opgeleide ouders horen in hun jonge kindertijd veel meer woorden dan kinderen van lager opgeleide ouders. Ze hebben op de basisschool dan ook een hoger taalniveau. Niet omdat ze meer talent hebben voor taal, maar omdat ze meer ‘vlieguren’ hebben gemaakt. Ook verwarren basisschooldocenten vaak talent met biologische leeftijd. Kinderen in een klas kunnen tot 12 maanden in leeftijd verschillen. Deze verschillen gaan bij de jongste kinderen op de basisschool gepaard met grote verschillen in lichamelijke en geestelijke ontwikkeling. Ik wil docenten hiervan bewust maken. Want een oordeel over talent werkt positief of negatief door tot in de volwassenheid.”

 

Wat vind je van de 70:20:10-regel?

“Ik vind het gedachtengoed interessant. Al is er volgens mij nog weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan en moet je dus enigszins kritisch blijven. Uitgangspunt van deze ‘theorie’ is dat je het meest leert van doen in de praktijk: 70%. Daarnaast leer je 20% van collega’s en door je netwerk en 10% via training. Ik geloof dat learning-on-the-job heel belangrijk is. Maar als je bij die 70% uitgaat van zelfsturend leren, denk je naar mijn idee te positief. Weinig mensen kunnen zelf bepalen wat ze zouden moeten leren. Dat is namelijk heel moeilijk. Mensen die veel kennis hebben, onderschatten zichzelf vaak. Mensen met weinig kennis overschatten zichzelf juist. Bovendien kun je in geheel nieuwe situaties slecht overzien wat je moet leren. Als je mensen eerst een formeel leerkader biedt, geef je hen een goede start. De 70:20:10 regel wordt dan wel een beetje anders.”

 

Wat verandert er?

“Je kunt misschien beter van 10:20:70 spreken. De 10% en 20% komen wat mij betreft eerst en daarna de 70%. Die 10% en 20% voeg ik trouwens graag samen. Je leert immers van trainers, coaches én van anderen uit je netwerk. Waarschijnlijk is de verhouding tussen dit geleide leren en ervaringsgericht leren ook eerder 50%-50%. Ik ben ervan overtuigd dat je meer bereikt als je eerst geleid leert, via training en door best practices van anderen, en dan zelf on-the-job aan de slag gaat. Wie eerst in een training de kneepjes van het vak leert, kan op een veel hoger niveau instappen en zelf verder. En als je het kunstje eerst afkijkt van succesvolle collega’s, kun je het daarna zelf veel beter in praktijk brengen.” In mijn ogen is het delen van kennis tussen ervaren en minder ervaren collega’s een belangrijke voorwaarde voor het succes van een organisatie. Alleen is kennis vaak impliciet aanwezig en passen ervaren collega’s deze soms routinematig toe. Daarom is het zaak de kennis goed in kaart te brengen. Maak collega’s bewust van hun eigen kennis én van het feit dat deze belangrijk is voor nieuwe en minder ervaren medewerkers.”

 

Moet de 70:20:10-regel nu de prullenbak in?

“Zeker niet. Het is een bruikbare regel voor de praktijk. Al ben ik wel van mening dat ontwerpers de regel niet klakkeloos moeten overnemen. Denk goed na over de 70:20:10 verdeling en ben bereid die aan te passen. Dan kun je de meest vernieuwende en effectieve leeromgevingen creëren. Ervaringsgericht leren vormt een substantieel onderdeel van het leerproces. Maar het is goed om met een formele training van start te gaan. Verder is het belangrijk dat je aan coaching en reflectie doet. Je moet als organisatie aangeven wat je van mensen verwacht en mensen begeleiden bij het bepalen en behalen van hun leerdoelen. Meet tussentijdse resultaten en evalueer ook hoe het gaat, zo kun je het leertraject bijstellen. De 70:20:10 regel helpt bij het vormgeven van een leertraject. Maar ik zie het als een bruikbare richtlijn, het is zeker geen heilige graal.”

 

Fred Paas is hoogleraar onderwijspsychologie aan de Erasmus Universiteit. Daarnaast onderzoekt hij samen met TinQwise interessante leervraagstukken.